Jacht in Nederland

Jagen gebeurt om twee redenen, namelijk schadebestrijding of benutting. Benutting noemen we jacht. Met de jacht wordt in Nederland het jagen op de vijf wildsoorten bedoeld. Deze soorten worden aangewezen door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Fazant, konijn, houtduif, haas en wilde eend mogen door jagers in het jachtseizoen worden bejaagd. Op hun jachtvelden beheren ze de wildstand. Met andere woorden: ze moeten zorgen dat het goed gaat met de wildsoorten.

Schadebestrijding is het voorkomen van maatschappelijke schade door wilde dieren. Als wilde dieren schade aanrichten – denk aan landbouwschade, verkeersonveiligheid en schade aan de natuur – dan kan het nodig zijn om in te grijpen. Eerst wordt ingezet op preventieve maatregelen, zoals het verjagen van dieren en het plaatsen van hekken om bijvoorbeeld aanrijdingen te voorkomen. Pas als preventie onvoldoende soelaas biedt, komt afschot in beeld. Dat mag alleen met een landelijke of provinciale vrijstelling, aanwijzing of ontheffing. Doden is voor schadebestrijding het laatste redmiddel. Het doden gebeurt vaak door jagers die ook de vijf wildsoorten bejagen, maar de drijfveer verschilt. Jacht draait om benutting, schadebestrijding om het tegengaan van maatschappelijke schade.

De uitvoerders en jagers moeten alle gedode dieren en behandelde nesten registeren in het registratiesysteem. Ook worden de populaties geteld. De Faunabeheereenheid Noord-Holland maakt ieder jaar een rapportage van deze cijfers. Deze gegevens worden meegenomen in de faunabeheerplannen. De faunabeheerplannen van de Faunabeheereenheid Noord-Holland hebben als doel om schade te voorkomen. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit neemt besluiten over de jacht.